Talen

Oostenrijks Hooggerechtshof over financiering door derden en het recht om te worden gehoord

Publicaties: juni 04, 2022

In een recente uitspraak van 15 december 2021[1] heeft het Oostenrijkse Hooggerechtshof (Oberster Gerichtshof, OGH) verschillende gronden voor vernietiging van een arbitraal vonnis onderzocht. Het OGH herhaalde zijn bijna 70 jaar oude jurisprudentie over het recht om te worden gehoord als grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis en deed de verrassende uitspraak dat financiering door derden in Oostenrijk over het algemeen is toegestaan. Dit is de eerste definitieve uitspraak van het OGH over de toelaatbaarheid van financiering door derden, ondanks een bestaand verbod op contingency fee-regelingen (quota litis-regelingen) in artikel 879, lid 2, punt 2, van het Oostenrijks Burgerlijk Wetboek (Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch, ABGB).

Feiten van het geschil

De procedure tot nietigverklaring voor het OGH vloeide voort uit een arbitrage die werd beheerd door het Weense internationale arbitragecentrum. Het scheidsgerecht had uitspraak gedaan over schadevorderingen die voortvloeiden uit een aandelentransactie tussen een Chinese en een Kroatische partij als eisers en twee Kroatische partijen als verweerders. In zijn eindvonnis wees het scheidsgerecht de vordering van de eerste eiser af en kende het de tweede eiser een gedeeltelijke vergoeding van zijn schade toe alsmede een vergoeding voor de procedurekosten.

Na een afgewezen verzoek aan het scheidsgerecht om het arbitraal vonnis te corrigeren, te verduidelijken en aan te vullen, verzochten beide eisers het OGH om vernietiging van delen van het vonnis, waaronder de beslissing over de kosten. Zij baseerden hun verzoek voornamelijk op beweringen dat hun recht om te worden gehoord was geschonden, dat het scheidsgerecht zijn mandaat had overschreden en op schendingen van de Oostenrijkse openbare orde (ordre public).

Het OGH heeft het verzoek van de eisers afgewezen. Hieronder zullen twee van de argumenten worden onderzocht die eisers hebben aangevoerd in hun poging om delen van het vonnis te vernietigen.

Punt 1: onmogelijkheid om te reageren op de kostendeclaratie van de tegenpartij

De eisers stelden dat hun recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 611, lid 2, punt 2, van het Oostenrijkse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung, ZPO) was geschonden door te stellen dat zij niet de mogelijkheid hadden gekregen om opmerkingen te maken over de kostendeclaratie van de wederpartij, die de basis vormde voor de beslissing van de rechtbank over de kosten. Zij ondersteunden hun argument door onder andere Oostenrijkse rechtsleer aan te halen waarin wordt gesteld dat het recht om te worden gehoord het recht van partijen omvat om opmerkingen te maken over de door de wederpartij ingediende kostendeclaratie.[2]

Besluit

Het OGH herhaalde zoals verwacht zijn restrictieve jurisprudentie met betrekking tot het recht van een partij om te worden gehoord in arbitrageprocedures en verwierp de argumenten van de eisers. De huidige jurisprudentie van de rechtbank dateert van een uitspraak uit 1955 en is sindsdien niet wezenlijk veranderd.[3] Een arbitraal vonnis kan dan ook alleen worden vernietigd als het recht van een partij om te worden gehoord in het geheel niet is toegekend. Een louter onvolledige vaststelling van feiten, onvoldoende bespreking van juridisch relevante feiten, of het ontkennen of zelfs volledig negeren van bewijsmateriaal alleen kan niet de basis vormen voor een beroep tot vernietiging.[4] Een arbitraal vonnis kan alleen worden vernietigd op grond van artikel 611, lid 2, punt 2, ZPO als de schending van het recht om te worden gehoord zonder onderscheid heeft plaatsgevonden.[5]

De rechtbank oordeelde dat het citeren van Oostenrijkse rechtsgeleerden niet bewijst dat het niet kunnen becommentariëren van de ingediende kosten een reden is om het vonnis te vernietigen. De auteur haalde zelf een bron aan die slechts verwijst naar het feit dat arbitrale tribunalen er doorgaans voor zorgen dat de wederpartij commentaar kan leveren op de ingediende kosten.[6] De rechtbank somt ook andere rechtsgeleerden op die het standpunt huldigen dat de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de ingediende kosten weliswaar wenselijk is, maar niet verplicht.[7]

Verder trekt de rechtbank een vergelijking met het Oostenrijkse burgerlijk procesrecht, waarin de mogelijkheid om te reageren op de ingediende kosten van de wederpartij alleen verplicht is in de eerste aanleg van een civiele procedure (artikel 54(1a) ZPO).

Commentaar

De huidige jurisprudentie van het OGH over het recht om te worden gehoord als grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis wordt grotendeels bekritiseerd door Oostenrijkse rechtsgeleerden.[8] De kritiek merkt op dat de uiterst restrictieve benadering niet voldoet aan de minimumeisen van artikel 6 EVRM en er niet in slaagt het juiste evenwicht te vinden tussen het behoud van de voordelen van een arbitraal geding en tegelijkertijd het waarborgen van het recht van partijen om te worden gehoord. Reiner, die de rechtbank zelf aanhaalt in haar beslissing, is van mening dat het tot de verantwoordelijkheid van het OGH behoort om ervoor te zorgen dat het recht van partijen om te worden gehoord in een arbitraal geding ten minste in dezelfde mate wordt gewaarborgd als in een civiele procedure.

Dit gezegd hebbende, is het ook de heersende opvatting onder geleerden, zoals door het OGH in zijn beslissing aangestipt, dat tribunalen partijen niet in de gelegenheid hoeven te stellen commentaar te leveren op kostendeclaraties. Bovendien heeft het OGH terecht een vergelijking getrokken met het Oostenrijkse burgerlijk procesrecht en geoordeeld dat de mogelijkheid om commentaar te geven op de ingediende proceskosten van de wederpartij geen dwingend beginsel is. Zelfs als men de benadering van Reiner zou toepassen om ervoor te zorgen dat het recht om te worden gehoord in arbitrageprocedures dezelfde normen bereikt als in civiele procedures, zou men niet kunnen concluderen dat het recht van de eisers om te worden gehoord in de onderhavige zaak is geschonden.

Punt 2: Toelaatbaarheid van financiering door derden en het Quota Litis-verbod

De eisers voerden verder aan dat de onderliggende quota litis-regeling tussen de Kroatische respondenten en hun vertegenwoordigers een schending van de Oostenrijkse openbare orde vormde, aangezien dergelijke regelingen voor resultaatafhankelijke honoraria nietig zijn op grond van artikel 879, lid 2, punt 2, ABGB en ook verboden zijn volgens Kroatisch recht. Zij stelden ook dat een dergelijke honorariumregeling ten koste gaat van de eisers, aangezien verweerders hierdoor zonder kostenrisico kunnen arbitreren.

Beslissing

Het OGH heeft de argumentatie van de eisers met betrekking tot de quota litis-regeling afgewezen op basis van de volgende overwegingen:

De rechtbank paste een restrictieve interpretatie van openbare orde toe in artikel 611(2)(8) ZPO. Dienovereenkomstig omvat de openbare orde de kernwaarden van de Oostenrijkse grondwet. Hoewel de rechtbank van oordeel was dat artikel 879 ABGB een dwingende bepaling is, concludeerde zij dat dwingende bepalingen niet automatisch gelijkstaan aan de hoge normen van openbare orde. Alleen dwingende bepalingen waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet in geschillen met een grensoverschrijdend element, vallen binnen het beperkte toepassingsgebied. Volgens de rechtbank voldoet een honorariumregeling tussen Kroatische respondenten en hun vertegenwoordigers in een arbitrage met banden met Oostenrijk en China niet aan het toepassingsgebied.

Bovendien weerlegde de rechtbank het argument van de eisers dat een contingency fee-regeling ten koste van hen zou gaan door te stellen, in overeenstemming met de huidige jurisprudentie van het OGH,[9] dat artikel 879(2)(2) ABGB uitsluitend dient ter bescherming van cliënten en de beroepseer van advocaten, maar niet van de wederpartij. In deze context versterkte de rechtbank haar redenering door te stellen dat het Oostenrijkse recht in het algemeen geschillen zonder kostenrisico mogelijk maakt, aangezien het de betrokkenheid van derde financiers toestaat. Hoewel de rechtbank de vergelijking met financiering door derden op een zeer nonchalante manier maakte in slechts één zin, is het een verrassende (obiter dictum) uitspraak, aangezien het onderwerp van de toelaatbaarheid van financiering door derden veelvuldig wordt besproken in de Oostenrijkse literatuur en jurisprudentie.

Commentaar

Artikel 879(2)(2) ABGB verbiedt afspraken over honoraria op basis van een bepaald percentage van het toegekende bedrag tussen de cliënt en zijn zogenaamde "juridisch ondersteuner". Aangezien het begrip "rechtsbijstandverlener" ruim wordt geïnterpreteerd[10] (het omvat niet alleen advocaten, maar ook belastingadviseurs, notarissen en in het algemeen alle beroepen die onderworpen zijn aan vergelijkbare beroepsplichten), rijst de vraag of derden-financiers ook onder artikel 879(2)(2) ABGB kunnen vallen. De meningen van Oostenrijkse wetenschappers over dit onderwerp lopen uiteen.

Sommige rechtsgeleerden stellen dat derdenfinanciers niet onder het toepassingsgebied van artikel 879(2)(2) ABGB vallen, omdat ze niet onder beroepsplichten vallen die vergelijkbaar zijn met die voor advocaten. Deze benadering wordt ook ondersteund door het Oostenrijkse Constitutionele Hof, dat expliciet verklaarde, terwijl het de grondwettigheid van het verbod op quota litis-regelingen in het algemeen bevestigde, dat het is toegestaan voor advocaten en derdenfinanciers om verschillend te worden behandeld, omdat derdenfinanciers geen professionele verplichtingen hebben.[11]

Andere geleerden beoordelen de rol die een derde financier speelt in een procedure. Afgaande op een eerdere beslissing over derdengeld in de meer beperkte context van massavorderingen, lijkt deze benadering ook te worden ondersteund door de OGH.[12] Derdengeldschieters mogen dus zelf geen uitgebreid juridisch advies geven, maar alleen de kans op succes of mislukking beoordelen en cliënten vervolgens doorverwijzen naar een advocaat. Derdenfinanciers mogen het verloop en de structuur van de procedure niet beïnvloeden. De cliënt moet de controle over de procedure behouden.

Hoewel het obiter dictum van de OGH over de algemene toelaatbaarheid van financiering door derden een primeur is, biedt het slechts beperkte grond voor extrapolatie. Niet alleen lijkt de uitspraak af te wijken van de huidige benadering van het OGH, maar financiering door derden was in de onderhavige zaak ook niet direct aan de orde. Dit kan leiden tot de conclusie dat de rechtbank niet van plan was om de kwestie volledig te evalueren in deze beslissing.

Hulpbronnen

  1. Docket 18 OCg 5/21s.
  2. Hausmaninger in Fasching/Konecny3 § 611 ZPO para 102.
  3. Hoge Raad 13 januari 1955 JBl 1955, pp 503 e.v.
  4. RS0045092.
  5. Zockets 18 OCg 10/19j, 18 OCg 1/19z.
  6. Reiner, Schiedsverfahren und rechtliches Gehör, ZfRV 2003/11, pp 52 e.v.
  7. Aschauer/Neumayr, Oostenrijks arbitragerecht in beweging, par. 756; Schumacher in Liebscher e.a., Schiedsverfahrensrecht II, par. 10/245.
  8. Zie bijvoorbeeld Liebscher, ecolex 2013/285; Nueber, Zur Auf Aufhebung eines Schiedsspruchs wegen Verletzung des rechtlichen Gehörs und der Überschreitung der Befugnisse des Schiedsgerichts; Pitkowitz, Handbuch Schiedsgerichtsbarkeit und ADR, para 80.
  9. Docket 6 Ob 224/12b.
  10. Zie bijvoorbeeld Oberhammer, ecolex 2011, p. 972.
  11. VfGH B 330/07 VfSlg 18.541.
  12. Docket 4 Ob 180/20d.