Talen

Rechtbanken overwegen exclusieve bevoegdheid in zaken van huur en pacht

Publicaties: maart 11, 2014

Op 19 september 2013 oordeelde het Hooggerechtshof in een zaak over internationale bevoegdheid dat, overeenkomstig artikel 22[1] van de Brussel I-Verordening, de gerechten van de lidstaat waar een onroerend goed gelegen is, exclusief bevoegd zijn voor zakelijke huur- of pachtrechten van onroerende goederen, ongeacht de woonplaats van de partijen.

Deze internationale exclusieve bevoegdheid heeft voorrang op de algemene bevoegdheid van de rechtbanken in de woonplaatsstaat van de verweerder (artikel 2 van de verordening), evenals op de speciale bevoegdheden (artikel 5 en volgende van de verordening).

Het Europees Hof van Justitie had met betrekking tot de voorgaande regel in artikel 16 van het Verdrag van Lugano geoordeeld dat geschillen betreffende onroerende goederen vaak onderzoek en het werk van getuigen-deskundigen vereisen, dat noodzakelijkerwijs ter plaatse moet worden uitgevoerd. Exclusieve bevoegdheid is dus in het belang van een passende rechtsbescherming. De huur en verhuur van onroerende goederen worden gewoonlijk geregeld door speciale wetten en de toepassing van deze wetten kan, gezien hun complexiteit, het best worden overgelaten aan de rechtbanken van de landen waar ze van toepassing zijn.

Deze redenering gaat echter niet op als het hoofdvoorwerp van de overeenkomst van een andere aard is, in het bijzonder als het gaat om de huur van een winkel. Daarom moet de term "huur en verhuur van onroerende goederen" niet worden geïnterpreteerd als betrekking hebbende op een overeenkomst betreffende de huur van een winkel wanneer een dergelijke winkel wordt geëxploiteerd op een onroerende zaak die de verhuurder zelf van een derde heeft gehuurd.

Een geding dat voortvloeit uit de huur van een hotel of een winkel valt niet onder de exclusieve bevoegdheid van artikel 22 van de Brussel I-verordening en een overeenkomst over de rechterlijke bevoegdheid is dus toegestaan.

Bronnen

  1. Geval 2 Ob 63/13j.