Talen

Oostenrijk: Arbiters uitdagen: Een update van het Oostenrijkse Hooggerechtshof

Publicaties: maart 03, 2021

Op 23 juli 2020 heeft het Oostenrijkse Hooggerechtshof (Oberste Gerichtshof, OGH) uitspraak gedaan in de zaak 18 ONc 1/20x,[1] waarin het zich heeft gebogen over een (herhaalde) wraking van een arbiter in een VIAC-procedure.

Feiten

De verweerder in de arbitrageprocedure had al eerder tevergeefs bezwaar gemaakt tegen de benoeming van de arbiter. Op basis van artikel 20 van de regels van Wenen had de verweerder in zijn eerste formele wraking in mei 2019 twijfels geuit over zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

Het VIAC-bestuur, dat bevoegd is om te oordelen over een wraking als de arbiter geen ontslag neemt, wees het verzoek in juni 2019 af. Begin 2020 werd de arbiter benoemd tot lid van het VIAC-bestuur. Met een beroep op bijkomende, nieuwe bezwaren over onpartijdigheid en onafhankelijkheid betwistte de verweerder de benoeming van de arbiter opnieuw, maar dit verzoek werd in maart 2020 opnieuw afgewezen door het bestuur van de VIAC.

Artikel 589(3) van het Oostenrijks Burgerlijk Wetboek (Zivilprozessordnung, ZPO) stelt een strikte termijn van vier weken vast om een beroep te doen op het OGH met betrekking tot een partij wiens wraking van een arbiter is afgewezen door het scheidsgerecht. De termijn van vier weken gaat in wanneer een partij - op welke manier dan ook - kennis heeft gekregen van de afwijzing. Na het verstrijken van deze termijn kan de partij geen verhaal meer halen.

De verweerder heeft het OGH verzocht om zijn wraking toe te staan en de arbiter partijdig te verklaren ten opzichte van de eiser. Aangezien de aanvankelijke wraking in juni 2019 werd afgewezen, was de termijn van vier weken van artikel 589, lid 3, ZPO al lang verstreken op het moment dat het verzoek bij de rechtbank werd ingediend.

Het standpunt van de OGH

Het OGH herhaalde dat als een wraking van een arbiter niet succesvol is en de rechtbank niet binnen de vereiste termijn wordt verzocht, een aanvullende wraking moet worden uitgesloten en ongegrond moet worden verklaard.

Het oordeelde echter verder dat het opnieuw beoordelen van een weigeringsgrond die al als ongerechtvaardigd was erkend, vereist dat nieuwe omstandigheden worden aangevoerd die binnen hetzelfde materiële kader vallen en die, ten minste abstract, geschikt zijn om tot een ander (algemeen) oordeel te komen. Deze nieuwe omstandigheden werden in het onderhavige geval aanwezig geacht.

Commentaar

Hoewel het OGH de wraking tegen de benoemde arbiter uiteindelijk verwierp, is deze zaak opmerkelijk vanwege de erkenning dat een beroep op de rechter ook na het verstrijken van de termijn van artikel 589, lid 3, ZPO kan worden toegestaan, mits de bovengenoemde nieuwe omstandigheden zich voordoen.

Bronnen

  1. OGH 23.7.2020, 18 ONc 1/20x

De inhoud van dit artikel is bedoeld als een algemene leidraad voor het onderwerp. Over uw specifieke omstandigheden moet specialistisch advies worden ingewonnen.