Talen

Opschorting van tenuitvoerlegging: de noodzakelijke inhoud van een verzoek

Publicaties: oktober 30, 2012

Het Hooggerechtshof heeft zich onlangs gebogen over de vereisten voor de opschorting van tenuitvoerleggingsprocedures volgens het Oostenrijkse en Europese recht.[1]

Volgens artikel 44 van de Tenuitvoerleggingswet kan de tenuitvoerlegging alleen worden opgeschort als het begin of de voortzetting ervan verband houdt met het risico van een onvervangbaar of voor de verzoeker moeilijk vervangbaar vermogensverlies. Een verlies wordt beschouwd als onvervangbaar of moeilijk vervangbaar wanneer de verzoeker - omwille van juridische of feitelijke redenen - niet kan rekenen op een vergoeding van de schade. Dit geldt met name als de schuldenaar niet over financiële middelen beschikt. Als dergelijke redenen niet voor de hand liggen, moet de aanvrager concrete feiten vermelden en bewijs leveren van het risico op dergelijk eigendomsverlies.

Of eigendomsverlies opzettelijk is, hangt af van het voorwerp en de middelen van tenuitvoerlegging. In het geval van beslag op een schuld is het risico op verlies van eigendom meestal niet voor de hand liggend; het moet dus worden geïdentificeerd en bewezen. In ieder geval is het onvoldoende om algemene en niet-informatieve beweringen te doen. Er moet eerst worden nagegaan of de verplichte partij alleen de tenuitvoerlegging wil opschorten (tegen een borgsom), in plaats van zich volledig te verzetten tegen de tenuitvoerlegging.

De erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen binnen de Europese Unie is vereenvoudigd door de invoering van de Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen Verordening (805/2004). De verordening schaft het exequatur af voor beslissingen over niet-betwiste vorderingen die in de lidstaat van oorsprong als Europese executoriale titel zijn gewaarmerkt. Een dergelijke gewaarmerkte beslissing zal in andere lidstaten worden erkend en ten uitvoer gelegd zonder dat een exequaturprocedure nodig is.

Volgens de heersende Oostenrijkse doctrine, krachtens artikel 20 van de verordening, moet de verzoeker ook concrete feiten vermelden en het risico van eigendomsverlies bewijzen (tenzij het risico duidelijk is volgens de documenten die aan de rechtbank worden voorgelegd). De opschorting van de tenuitvoerlegging krachtens de verordening komt overeen met die krachtens het Oostenrijkse tenuitvoerleggingsrecht; de bedoelingen van de verordening en de tenuitvoerleggingswet zijn dezelfde.

De discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 23 van de verordening is afhankelijk van de kans op succes van een in de oorspronkelijke lidstaat ingesteld rechtsmiddel, alsook van de kans op onvervangbaar vermogensverlies door de tenuitvoerlegging. Aan de andere kant bepaalt artikel 44 van de wet dat er geen opschorting van tenuitvoerlegging wordt verleend indien de tenuitvoerlegging kan worden aangevat of voortgezet zonder het risico op onvervangbaar vermogensverlies voor de schuldenaar. De plicht om het risico op vermogensverlies vast te stellen en te bewijzen is in overeenstemming met de EU-verordening, aangezien het doel ervan is de tenuitvoerleggingsprocedure te versnellen en te vergemakkelijken.

Bronnen

  1. Oostenrijks Hooggerechtshof, 14 juni 2012 (OGH, 3 Ob 84/12t).