Talen

Oostenrijkse rechtbank weigert tenuitvoerlegging Italiaans betalingsbevel

Publicaties: juli 09, 2013

Inleiding

Een Italiaanse rechtbank heeft onlangs een betalingsbevel uitgevaardigd tegen een in Oostenrijk geregistreerd bedrijf aan een Italiaanse eiser, waarbij het Oostenrijkse bedrijf werd veroordeeld tot betaling van ongeveer €2,7 miljoen. Volgens het Oostenrijkse High Court[1] is een Italiaans betalingsbevel dat is uitgevaardigd na een ex parte procedure (d.w.z. een procedure waarin de verweerder niet verschijnt) echter niet uitvoerbaar op grond van artikel 23 van de Brussel I-Verordening.

De Brussel I-Verordening was van toepassing op de Italiaanse rechterlijke beslissing waarvan de tenuitvoerlegging het voorwerp uitmaakte van de zaak.

Betalingsbevelen

Een rechterlijke beslissing kan alleen door een nationale rechter ten uitvoer worden gelegd als deze wordt aangemerkt als een "beslissing" in de zin van artikel 23 van de verordening. Dit was in het onderhavige geval om een aantal redenen twijfelachtig.

Het soort gerechtelijk bevel dat in dit geval is uitgevaardigd, wordt beheerst door de artikelen 633 en volgende van het Italiaanse Reglement van Burgerlijke Rechtsvordering. Het wordt uitgevaardigd door middel van een summiere procedure die de schuldeiser in staat stelt een uitvoerbaar vonnis over zijn verzoekschrift te verkrijgen, wanneer dit verzoekschrift aanvankelijk niet aan de schuldenaar is betekend.

De procedure wordt ingeleid door een verzoekschrift waarmee de schuldeiser de rechtbank vraagt een betalingsbevel tegen de schuldenaar uit te vaardigen op basis van bepaald bewijs. Dit betalingsbevel verplicht de schuldenaar om binnen een bepaalde tijd een bepaald bedrag te betalen of bepaalde goederen te leveren (artikel 641 van de regels). Als aan alle formele vereisten is voldaan en de rechter na beoordeling van de bewijskracht ervan overtuigd is dat de vordering gerechtvaardigd is, zal hij of zij het betalingsbevel uitvaardigen. Het bevel informeert de schuldenaar dat het na de uiterste termijn ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de schuldenaar bezwaar aantekent.

Het betalingsbevel zelf is over het algemeen niet uitvoerbaar. Er is gerechtelijke toestemming nodig voor de tenuitvoerlegging en deze zal worden verleend op verzoek van de indiener na de deadline. Als de schuldenaar geen bezwaar indient binnen de gestelde termijn en als er geen voorlopige tenuitvoerlegging is verleend, wordt de betalingsopdracht na de termijn uitvoerbaar verklaard op verzoek van de schuldeiser.

Indien de schuldenaar verzet aantekent, wordt de procedure voortgezet volgens de regels die gelden voor normale burgerrechtelijke procedures.

Op verzoek van de schuldeiser kan het betalingsbevel uitvoerbaar worden gemaakt op het moment dat het wordt uitgevaardigd - bijvoorbeeld als een vertraging tot ernstige schade zou kunnen leiden (artikel 642, lid 2, van de regels). De rechter kan deze uitvoerbaarheid echter, op bezwaar van de schuldenaar, opschorten om ernstige redenen. Een dergelijke beslissing kan niet worden aangevochten.

Een Italiaans betalingsbevel dat uitvoerbaar is verklaard in een afzonderlijke procedure in Italië na verzet door de schuldenaar, kan worden erkend overeenkomstig artikel 32 van de Brussel I-verordening.

In het onderhavige geval werd het betalingsbevel echter onmiddellijk uitvoerbaar verklaard zonder dat de tegenpartij de kans kreeg om te worden gehoord.

precedent EHvJ

Het Europees Hof van Justitie (EHvJ) heeft geoordeeld[2] dat voorlopige gerechtelijke bevelen of bevelen tot zekerheidstelling van een vordering die zijn uitgevaardigd zonder de verweerder op te roepen en waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd zonder voorafgaande betekening of kennisgeving (d.w.z. ex parte beslissingen) niet in aanmerking komen voor erkenning en tenuitvoerlegging volgens Titel III van het Verdrag van Brussel van 1968 (nu Titel III van de Verordening Brussel I).

Het EHvJ verklaarde deze beperking door te stellen dat het Verdrag van Brussel van 1968 beoogt te waarborgen dat procedures die leiden tot rechterlijke beslissingen worden gevoerd in overeenstemming met een behoorlijke procesorde, zoals voorgeschreven door de doelstellingen van het verdrag. In het licht van de garanties die aan verweerders in gewone procedures worden geboden, is titel III van het verdrag nogal ruimhartig wat erkenning en tenuitvoerlegging betreft. Daarom is het Verdrag van Brussel van 1968 (nu artikel 32 van de Verordening Brussel I) bedoeld voor dergelijke rechterlijke beslissingen die gebaseerd zijn of zouden kunnen zijn op een proces.

Beslissingen van rechtbanken die in de beslissende staat tot stand zijn gekomen zonder de tegenpartij de gelegenheid te geven om te worden gehoord, kunnen niet worden erkend. De meeste rechtsgeleerden zijn het er daarom over eens dat een rechterlijke beslissing die onmiddellijk uitvoerbaar is verklaard, niet kan worden erkend op grond van artikel 32 van de Verordening Brussel I.

Opmerking

Over het algemeen kunnen beslissingen van rechtbanken van een EU-lidstaat in elke andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd. In dit geval werd het Italiaanse betalingsbevel echter uitgevaardigd zonder het Oostenrijkse bedrijf de kans te geven om te reageren, en het werd ook onmiddellijk uitvoerbaar verklaard in Italië. In dit geval kon de beslissing in Oostenrijk niet ten uitvoer worden gelegd omdat de Oostenrijkse gedaagde geen behoorlijke rechtsgang kreeg en geen kans kreeg om zijn bezwaren tegen de vordering kenbaar te maken.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Klaus Oblin van Oblin Melichar per telefoon (+43 1 505 37 05), fax (+43 1 505 37 05 10) of e-mail(klaus.oblinoblin.at). De website van Oblin Melichar kan worden geraadpleegd op www.oblin.at.

Bronnen

  1. OGH 19 september 2012, 3 Ob 123/12b.
  2. Denilauler/Couchet Frères, zaak 125/79, 1980, 1553.