Wie is bevoegd? Oostenrijkse rechtbank beoordeelt dienstverlening volgens EU-recht
Publicaties: december 17, 2013
Auteurs
Op 30 juli 2013 oordeelde het Hooggerechtshof[1] dat in beslissingen met internationale rechtsmacht het begrip "diensten" moet worden uitgelegd aan de hand van het EU-recht in zijn geheel, zodat het alle overeenkomsten omvat die betrekking hebben op het tegen betaling tot stand brengen van een bepaald feitelijk resultaat. Voor de afbakening met betrekking tot arbeidsovereenkomsten geldt dat zij geen betrekking mogen hebben op een verplichting waarbij het verrichten van de activiteit zelf het voorwerp van de overeenkomst is.
Wettelijk kader
Artikel 5(1) van de EU Brussel I Verordening (44/2001) moet open worden geïnterpreteerd en vereist afbakening alleen voor overeenkomsten die betrekking hebben op speciale aangelegenheden (bijv. verzekeringsovereenkomsten, consumentenovereenkomsten of arbeidsovereenkomsten). De Europese juridische term voor dienstencontracten omvat dienstencontracten, agentuurovereenkomsten, contracten van handelsagenten en makelaars, franchise- en distributiecontracten, gemengde contracten en andere, zolang ze het essentiële element van een activiteit bevatten.
De plaats van uitvoering, die (volgens artikel 5, lid 1, onder b), van de verordening) de rechterlijke bevoegdheid bepaalt, moet autonoom en aan de hand van feitelijke en niet van juridische criteria worden vastgesteld.
Besluit
De eiser had aangevoerd dat de verweerder de verplichting had aanvaard om een distributieorganisatie op te zetten en verschillende andere taken uit te voeren. Op basis hiervan oordeelde het Hooggerechtshof dat de lagere rechtbanken de geldvordering uit hoofde van deze overeenkomst terecht hadden aangemerkt als een vordering die was ontstaan uit een dienstenovereenkomst in de zin van artikel 5, lid 1, onder b), van de verordening.
Het hof voerde aan dat de plaats van uitvoering het enige aanknopingspunt is voor elke vordering die voortvloeit uit een koop- of dienstenovereenkomst, en dus ook voor alle secundaire contractuele vorderingen. Bevoegdheid wordt bepaald op basis van de informatie in de klacht, tenzij de rechtbank al weet dat deze informatie onjuist is. Het is niet van belang dat het voorwerp van het geding niet de contractuele hoofdverplichting of een vordering tot schadevergoeding was (zoals was gevorderd in de procedure voor het betalingsbevel), maar de teruggave van het saldo in rekening-courant dat bij de verweerder was gebleven. De rechtbank voerde aan dat de Europese wetgever de autonome bepaling van de plaats van uitvoering had bedoeld om de bevoegdheid voor alle contractuele geschillen op één plaats te concentreren en één enkele bevoegdheid te creëren voor alle rechtszaken die voortvloeien uit hetzelfde contract.
Opmerking
De term "diensten" moet zo worden uitgelegd dat hij elke overeenkomst omvat die betrekking heeft op het bereiken van een bepaald resultaat, in tegenstelling tot
Middelen
- Zaak 8 Ob 67/13f.
