Arbitrage over investeringsverdragen 2021
Gidsen voor experts: april 21, 2021
Auteurs

ACHTERGROND
Buitenlandse investeringen
Wat is de heersende houding ten opzichte van buitenlandse investeringen?
Als algemene houding die geen verband houdt met een specifiek investeringsgeschil, geeft het Federale Ministerie van Digitale en Economische Zaken echter aan dat de regering openstaat voor bindende internationale arbitrage als een goed alternatief voor de nationale rechtbanken bij de beslechting van geschillen in het kader van de toepasselijke bilaterale investeringsverdragen (BIT's).
Op 1 december 2009 is het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in werking getreden, waarin de bevoegdheid van de Europese Unie op het gebied van directe investeringen is vastgelegd. Op basis van de overgedragen bevoegdheid hebben het Europees Parlement en de Raad van de EU Verordening 1219/2012 vastgesteld, op grond waarvan bestaande BIT's geldig blijven behoudens goedkeuring door de Europese Commissie na "te hebben beoordeeld of een of meer bepalingen ervan een ernstige belemmering vormen voor de onderhandelingen over of de sluiting door de Unie van bilaterale investeringsovereenkomsten met derde landen" (Verordening 1219/2012, artikel 5). De Europese Commissie heeft verder inbreukprocedures ingeleid met betrekking tot 12 door Oostenrijk ondertekende en geratificeerde intra-EU BIT's (bilaterale investeringsverdragen tussen EU-lidstaten).
Niettegenstaande het voorgaande heeft Oostenrijk de Verklaring van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten over de rechtsgevolgen van het arrest van het Hof van Justitie in Achmea en over de bescherming van investeringen in de Europese Unie van 15 januari 2019 (de Verklaring) ondertekend. Op grond van de Verklaring:
- 'zijn alle arbitragebedingen tussen investeerders en staten in bilaterale investeringsverdragen tussen lidstaten in strijd met het EU-recht en dus niet van toepassing';
- hebben deze arbitrageclausules "geen gevolgen, ook niet ten aanzien van bepalingen die voorzien in een verlengde bescherming van investeringen die vóór de beëindiging ervan voor een verdere periode zijn gedaan (zogenaamde "sunset"- of "grandfathering"-clausules)"; en
- een scheidsgerecht dat is opgericht op basis van arbitragebedingen tussen investeerders en staten niet bevoegd is, omdat er geen geldig aanbod tot arbitrage is gedaan door de lidstaat die partij is bij het onderliggende BIT.
Oostenrijk verbond zich er aanvankelijk met andere ondertekenende staten toe om "alle bilaterale investeringsovereenkomsten tussen (EU-lidstaten) te beëindigen door middel van een multilateraal verdrag, of, wanneer dat wederzijds als passender wordt erkend, bilateraal" tegen 6 december 2019. Desondanks weigerde Oostenrijk zich aan te sluiten bij 23 EU-lidstaten om de Overeenkomst inzake de beëindiging van bilaterale investeringsovereenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie (de Overeenkomst) te ondertekenen. Een dergelijk besluit is zeer welkom, omdat het tegemoet komt aan de bezorgdheid dat de beëindiging van intra-EU BIT's door middel van de Overeenkomst wel eens onverenigbaar zou kunnen zijn met het internationaal publiekrecht.
Wat zijn de belangrijkste sectoren voor buitenlandse investeringen in de staat?
Volgens de officiële database van de Oostenrijkse Nationale Bank (OeNB) zijn de belangrijkste sectoren van inkomende directe investeringen (d.w.z. investeringen van buitenlandse investeerders in Oostenrijk): professionele, wetenschappelijke en technische dienstverlening; financiële bemiddeling; handel; en chemische producten, aardolieproducten en farmaceutische producten. Een uitgebreide uitsplitsing naar respectievelijke sectoren is beschikbaar op de website van de OeNB.
Is er een netto in- of uitstroom van directe buitenlandse investeringen?
Wanneer de inkomende directe investeringsinkomsten worden vergeleken met de uitgaande directe investeringsinkomsten (d.w.z. investeringen van Oostenrijkse investeerders aan boord), kan een algehele netto uitstroom van buitenlandse directe investeringen worden vastgesteld (vergelijk Inkomende directe investeringsposities uitgesplitst naar bedrijfstak 2008 met Uitgaande directe investeringsposities uitgesplitst naar bedrijfstak 2008 gegevens van de OeNB). Desondanks kan er in bepaalde sectoren sprake zijn van een aanzienlijke netto-instroom, zoals in de sector van de vrije beroepen en de wetenschappelijke en technische dienstverlening.
Wetgeving investeringsovereenkomsten
Beschrijf de binnenlandse wetgeving inzake investeringsovereenkomsten met de staat of staatsbedrijven.
Oostenrijk heeft geen specifieke wet op buitenlandse investeringen. Formele toelating van een buitenlandse investering is over het algemeen niet vereist. Sommige niet-discriminerende nationale en EU-maatregelen kunnen echter wel van toepassing worden (bijv. bij de aankoop van onroerend goed, antitrust, energiesector, openbare veiligheid en orde).
INTERNATIONALE WETTELIJKE VERPLICHTINGEN
Investeringsverdragen
Identificeer en geef beknopte informatie over de bilaterale of multilaterale investeringsverdragen waarbij de staat partij is, en geef ook aan of ze van kracht zijn.
Oostenrijk heeft 69 bilaterale investeringsverdragen ondertekend en geratificeerd, waarvan er 60 van kracht zijn:
- Albanië;
- Algerije;
- Argentinië;
- Armenië;
- Azerbeidzjan;
- Bangladesh;
- Wit-Rusland;
- Belize;
- Bosnië en Herzegovina;
- Bulgarije;
- Chili;
- China;
- Kroatië;
- Cuba;
- Tsjechië;
- Egypte;
- Estland;
- Ethiopië;
- Georgië;
- Guatemala;
- Hongkong;
- Hongarije;
- Iran;
- Jordanië;
- Kazachstan;
- Kosovo;
- Koeweit;
- Kirgizië;
- Letland;
- Libanon;
- Libië;
- Litouwen;
- Macedonië;
- Maleisië;
- Malta;
- Mexico;
- Moldavië;
- Mongolië;
- Montenegro;
- Marokko;
- Namibië;
- Oman;
- Paraguay;
- de Filipijnen;
- Polen;
- Roemenië;
- Rusland;
- Saoedi-Arabië;
- Servië;
- Slowakije;
- Slovenië;
- Zuid-Korea;
- Tadzjikistan;
- Tunesië;
- Turkije;
- Oekraïne;
- de Verenigde Arabische Emiraten;
- Oezbekistan;
- Vietnam en
- Jemen.
Ten aanzien van Oostenrijk als EU-lidstaat zijn diverse handelsovereenkomsten en verdragen met investeringsbepalingen van kracht. BITs ondertekend met Zimbabwe (2000), Cambodja (2004) en Nigeria (2013) moeten nog in werking treden.
Oostenrijk ondertekende het Verdrag inzake het Energiehandvest in 1994, gevolgd door een formele ratificatie in 1997.
De belangrijkste overeenkomst die nog moet worden geratificeerd door de nationale parlementen van de EU-lidstaten is de uitgebreide economische en handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA), die sinds 21 september 2017 voorlopig van kracht is. Het Europees Hof van Justitie heeft het in CETA vastgelegde mechanisme voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten verenigbaar verklaard met het EU-recht (Advies 1/17 (CETA), EU:C:2019:341).
Indien van toepassing, geef aan of de bilaterale of multilaterale investeringsverdragen waarbij de staat partij is, zich uitstrekken tot overzeese gebieden.
Niet van toepassing.
Heeft de staat aanvullende protocollen gewijzigd of gesloten die van invloed zijn op bilaterale of multilaterale investeringsverdragen waarbij hij partij is?
Een voorbeeld van diplomatieke nota's die zijn uitgewisseld om de bedoelde betekenis van een BIT vast te stellen, is als PDF beschikbaar op de website van het juridische informatiesysteem van de Republiek Oostenrijk.
Heeft de staat eenzijdig een bilateraal of multilateraal investeringsverdrag opgezegd waarbij het partij is?
Oostenrijk heeft nog geen BIT eenzijdig opgezegd.
Er moet echter worden benadrukt dat de definitieve gevolgen van de overdracht van bevoegdheden over directe investeringen aan de EU nog moeten worden vastgesteld.
Heeft de staat meerdere bilaterale of multilaterale investeringsverdragen gesloten met overlappend lidmaatschap?
Als algemene houding die geen verband houdt met een specifiek investeringsgeschil, geeft het federale ministerie van Digitale en Economische Zaken echter aan dat de regering openstaat voor bindende internationale arbitrage als een goed alternatief voor de nationale rechtbanken bij de beslechting van geschillen in het kader van de toepasselijke bilaterale investeringsverdragen (BIT's).
Op 1 december 2009 is het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in werking getreden, waarin de bevoegdheid van de Europese Unie op het gebied van directe investeringen is vastgelegd. Op basis van de overgedragen bevoegdheid hebben het Europees Parlement en de Raad van de EU Verordening 1219/2012 vastgesteld, op grond waarvan bestaande BIT's geldig blijven behoudens goedkeuring door de Europese Commissie na "te hebben beoordeeld of een of meer bepalingen ervan een ernstige belemmering vormen voor de onderhandelingen over of de sluiting door de Unie van bilaterale investeringsovereenkomsten met derde landen" (Verordening 1219/2012, artikel 5). De Europese Commissie heeft verder inbreukprocedures ingeleid met betrekking tot 12 door Oostenrijk ondertekende en geratificeerde intra-EU BIT's (bilaterale investeringsverdragen tussen EU-lidstaten).
Niettegenstaande het voorgaande heeft Oostenrijk de Verklaring van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten over de rechtsgevolgen van het arrest van het Hof van Justitie in Achmea en over de bescherming van investeringen in de Europese Unie van 15 januari 2019 (de Verklaring) ondertekend. Op grond van de Verklaring:
- 'zijn alle arbitragebedingen tussen investeerders en staten in bilaterale investeringsverdragen tussen lidstaten in strijd met het EU-recht en dus niet van toepassing';
- hebben deze arbitrageclausules "geen gevolgen, ook niet ten aanzien van bepalingen die voorzien in een verlengde bescherming van investeringen die vóór de beëindiging ervan voor een verdere periode zijn gedaan (zogenaamde "sunset"- of "grandfathering"-clausules)"; en
- een scheidsgerecht dat is opgericht op basis van arbitrageclausules tussen investeerders en staten niet bevoegd is, omdat er geen geldig aanbod tot arbitrage is gedaan door de lidstaat die partij is bij het onderliggende BIT.
Oostenrijk verbond zich er aanvankelijk met andere ondertekenende staten toe om "alle bilaterale investeringsovereenkomsten tussen (EU-lidstaten) te beëindigen door middel van een multilateraal verdrag, of, wanneer dat wederzijds als passender wordt erkend, bilateraal" tegen 6 december 2019. Desondanks weigerde Oostenrijk zich aan te sluiten bij 23 EU-lidstaten om de Overeenkomst inzake de beëindiging van bilaterale investeringsovereenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie (de Overeenkomst) te ondertekenen. Een dergelijke beslissing is echt welkom, omdat het de gegronde bezorgdheid onderkent dat de beëindiging van intra-EU BIT's door middel van de Overeenkomst mogelijk onverenigbaar is met het internationaal publiekrecht.
ICSID-verdrag
Is de staat partij bij het ICSID-verdrag?
Het Verdrag inzake de beslechting van investeringsgeschillen tussen staten en onderdanen van andere staten is geratificeerd op 25 mei 1971 en is voor Oostenrijk in werking getreden op 24 juni 1971.
Verdrag van Mauritius
Is de staat partij bij het VN-Verdrag inzake transparantie in op verdragen gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten (Verdrag van Mauritius)?
Oostenrijk is geen partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake transparantie in op verdragen gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten.
Programma investeringsverdragen
Heeft de staat een investeringsverdragenprogramma?
Ja.
REGULERING VAN INKOMENDE BUITENLANDSE INVESTERINGEN
Programma's ter bevordering van overheidsinvesteringen
Heeft de staat een programma ter bevordering van buitenlandse investeringen?
Het federale ministerie voor Digitale en Economische Zaken en het ministerie voor Europa, Integratie en Buitenlandse Zaken ondersteunen samen de Oostenrijkse programma's ter bevordering van investeringen.
Het federale ministerie voor Digitale en Economische Zaken is voornamelijk belast met de economische ondersteuning van buitenlandse investeringen en publiceert een uitgebreid overzicht van alle steun die beschikbaar is voor buitenlandse investeerders, dat online beschikbaar is als PDF.
Het ministerie van Europa, Integratie en Buitenlandse Zaken en de Oostenrijkse diplomatieke vertegenwoordigingen blijven verantwoordelijk voor de bescherming van investeringen, door toe te zien op de naleving van de toepasselijke BIT's en de exportcontrole. Een overzicht van de verantwoordelijkheden van het ministerie van Europa, Integratie en Buitenlandse Zaken is online beschikbaar.
Toepasselijke nationale wetten
Geef aan welke binnenlandse wetten van toepassing zijn op buitenlandse investeerders en buitenlandse investeringen, inclusief eventuele vereisten voor toelating of registratie van investeringen.
Aangezien Oostenrijk openstaat voor buitenlandse investeringen, kunnen bepaalde niet-discriminerende nationale en EU-maatregelen van toepassing worden (bv. bij de aankoop van onroerend goed, antitrust, energiesector, openbare veiligheid en orde, enz.) Bovendien moet volgens de Oostenrijkse wet op de buitenlandse handel (AußWG) een goedkeuring van de minister belast met economische zaken worden verkregen voor een "verwerving door een natuurlijke persoon die geen burger is van de Europese Unie, een burger van de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland, of een rechtspersoon of vennootschap gevestigd in een niet-EU-land met uitzondering van de EER en Zwitserland" indien de investeerder van plan is een controlepositie te verwerven of anderszins te verwerven in industrieën die van specifiek belang zijn voor de Republiek Oostenrijk, zoals gedefinieerd in sectie 25(a)(2) AußWG.
Het Bondsministerie voor Digitale en Economische Zaken werkt momenteel aan wijzigingen van de AußWG, waarbij nauwgezet rekening wordt gehouden met Verordening (EU) 2019/452 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie.
Betrokken regelgevende instantie
Identificeer de overheidsinstantie die inkomende buitenlandse investeringen reguleert en bevordert.
Het federale ministerie voor Digitale en Economische Zaken en het ministerie voor Europa, Integratie en Buitenlandse Zaken ondersteunen samen de Oostenrijkse programma's ter bevordering van investeringen.
Het federale ministerie voor Digitale en Economische Zaken is voornamelijk verantwoordelijk voor de economische steun aan buitenlandse investeringen en publiceert een uitgebreid overzicht van alle steun die beschikbaar is voor buitenlandse investeerders, dat online beschikbaar is als PDF.
Het ministerie van Europa, Integratie en Buitenlandse Zaken en de Oostenrijkse diplomatieke vertegenwoordigingen blijven verantwoordelijk voor de bescherming van investeringen, door toe te zien op de naleving van de toepasselijke BIT's en de exportcontrole. Een overzicht van de verantwoordelijkheden van het ministerie van Europa, Integratie en Buitenlandse Zaken is online beschikbaar.
Betrokken overheidsinstantie
Identificeer de overheidsinstantie die moet worden gedagvaard in een geschil met een buitenlandse investeerder.
Als er in door Oostenrijk gesloten investeringsverdragen geen directe bepaling is opgenomen over het punt fonds, moet een investeerder de kennisgeving van het geschil indienen bij het Ministerie voor Europa, Integratie en Buitenlandse Zaken.
PRAKTIJK INVESTERINGSVERDRAGEN
Model BIT
Heeft de staat een model-BIT?
Oostenrijk heeft een model bilateraal investeringsverdrag (BIT) dat in 2008 is aangenomen. Het is echter van cruciaal belang om eraan te herinneren dat het overgrote deel van de door Oostenrijk ondertekende en geratificeerde BIT's dateert van vóór de nieuwste versie van het model-BIT. Een beoordeling van de invloed die het nieuwste model van het BIT in de toekomst zou kunnen hebben, is eveneens moeilijk te maken.
Een vergelijkbare analyse van BITs die na de invoering van het Oostenrijkse model-BIT zijn ondertekend, laat een gebrek aan uniformiteit zien. Aan de ene kant waren investeringsverdragen met Tadzjikistan en Kosovo strikt opgesteld volgens de lijnen van het model BIT. Daarentegen werden in overeenkomsten van dezelfde aard met Kirgizië en Kazachstan op enkele belangrijke punten wijzigingen aangebracht in het model-BIT.
Bovendien maken bepalingen ter bescherming van investeringen steeds vaker deel uit van handelsovereenkomsten van de EU met derde landen, waardoor het beoogde doel van het model-BIT wordt beperkt.
Wat betreft de inhoud van het model-BIT heeft Oostenrijk zeker een beknopt, functioneel en geavanceerd platform gepresenteerd voor succesvolle bescherming van buitenlandse investeringen. De belangrijkste bepalingen garanderen
- gelijke behandeling van buitenlandse investeerders in vergelijking met nationale investeerders of investeerders uit derde landen; verplichting tot eerlijke behandeling volgens de normen van het internationaal recht (nauw gereguleerde onteigening, betalingen die in het kader van een investering worden gedaan, moeten zonder beperkingen worden beïnvloed, etc); en
- effectieve geschillenbeslechting voor:
- nationale rechtbanken;
- het Internationaal Centrum voor de beslechting van investeringsgeschillen (ICSID);
- een enkele arbiter of een ad hoc arbitragecommissie die is opgericht volgens de arbitrageregels van de Commissie van de Verenigde Naties voor Internationaal Handelsrecht (UNCITRAL); en
- een enkele arbiter of een ad-hoc scheidsgerecht volgens het arbitragereglement van de Internationale Kamer van Koophandel (ICC).
Verdere bijzonderheden van het model BIT zijn onder andere een karakteristieke definitie van de termen 'investeerder' en 'investering', evenals een vrij brede parapluclausule. Een toelichting waarin nader wordt ingegaan op belangrijke aspecten van het model-BIT is online beschikbaar.
Voorbereidende materialen
Heeft de staat een centrale opslagplaats voor voorbereidend materiaal voor het verdrag? Zijn deze materialen openbaar beschikbaar?
Alle beschikbare materialen ter ondersteuning van internationale verdragen die door het parlement van de Republiek Oostenrijk zijn geratificeerd, zijn online beschikbaar. Het Bondsministerie van Digitale en Economische Zaken stelt Duitse versies van geratificeerde BIT's met bijbehorende instrumenten beschikbaar op zijn website ter inzage en publieke inzage. Vertaalde versies in het Engels en andere talen zijn, indien van toepassing, ook online beschikbaar.
Reikwijdte en dekking
Wat is de typische reikwijdte van investeringsverdragen?
Kwalificaties van investeerders
Investeringsverdragen die Oostenrijk heeft afgesloten, voorzien, niet altijd op dezelfde manier, in een aantal juridische kwalificaties waaraan een buitenlandse investeerder moet voldoen om in aanmerking te komen voor wezenlijke bescherming. Hoewel zowel natuurlijke personen als rechtspersonen (d.w.z. ondernemingen) over het algemeen als 'investeerders' kunnen worden beschouwd, zijn er aanvullende vereisten:
Voornaamste plaats van oprichting of vestiging
Artikel 1(3) model BIT definieert onderneming onder andere als 'opgericht of georganiseerd volgens het toepasselijke recht van een overeenkomstsluitende partij'. Het vestigingsvereiste is expliciet vastgelegd in meerdere BIT's (bijv. artikel 1(2) van het BIT tussen Oostenrijk en Wit-Rusland; artikel 1(2)(b) van het BIT tussen Oostenrijk en Argentinië; etc.). Het vereiste van de hoofdvestiging kan in sommige gevallen worden vervangen door de vaststelling van (pre)dominante invloed op de investeerder door een entiteit van een van de overeenkomstsluitende partijen (bijv. artikel 1(2)(c), Oostenrijk-Egypte BIT; artikel I(2), Oostenrijk-Koeweit BIT; etc.).
Uitoefenen van substantiële zakelijke activiteiten
Artikel 1(3) model BIT stelt verder dat de onderneming 'substantiële zakelijke activiteiten [in de gaststaat] moet verrichten'. In overeenstemming met het voorgaande wordt in een aantal BIT's een verplichting van wezenlijke bedrijfsactiviteiten genoemd (bijv. artikel 1, lid 2, onder b), BIT Oostenrijk-Chili).
Inconsistente kwalificaties afhankelijk van de overeenkomstsluitende partij
Een aanzienlijk aantal BIT's definieert de vereisten voor het definiëren van 'investeerder' onafhankelijk voor elke overeenkomstsluitende partij (bijv. artikel I(2), BIT Oostenrijk-Koeweit).
Ontzegging van voordelen
In overeenstemming met het model-BIT wordt in een aantal gesloten BIT's expliciet bescherming geweigerd in de gevallen waarin niet aan de bovengenoemde vereisten wordt voldaan. Het belangrijkste voorbeeld van een dergelijke bepaling is te vinden in artikel 10 van het BIT tussen Oostenrijk en Oezbekistan, waarin staat:
[Een] overeenkomstsluitende partij kan de voordelen van deze Overeenkomst ontzeggen aan een investeerder van de andere overeenkomstsluitende partij en aan zijn investeringen, indien investeerders van een niet-overeenkomstsluitende partij eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over de eerstgenoemde investeerder en die investeerder geen substantiële zakelijke activiteiten ontplooit op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partij naar wier recht hij is opgericht of georganiseerd.
Definitie van "investering
Beschermde 'investering' onder het model BIT omvat alle activa 'die direct of indirect eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de beschermde investeerder'. Deze weliswaar ruime definitie wordt enigszins beperkt door aanvullende overwegingen die door de toepasselijke BIT's worden opgelegd:
Onderscheid tussen directe en indirecte investeringen
Hoewel de meeste door Oostenrijk gesloten investeringsverdragen bescherming in beide gevallen goedkeuren, gaan sommige niet zo ver dat ze bescherming bieden aan indirecte investeringen of investeringen zonder winstoogmerk (bijv. artikel 1(1), BIT Oostenrijk-Iran).
Territoriaal vereiste en legaliteit
Investeringen worden over het algemeen beschermd als ze worden gedaan op het grondgebied van een overeenkomstsluitende partij en in overeenstemming met de wet- en regelgeving van die partij (bijv. artikel 1(3), BIT Oostenrijk-Maleisië).
Vragen over retroactieve dekking
Een aanzienlijke meerderheid van de door Oostenrijk gesloten investeringsverdragen kent ofwel bescherming toe aan investeringen die zijn gedaan vanaf een bepaalde datum (bijv. artikel 9, BIT Oostenrijk-Rusland), of maakt geen onderscheid in het toekennen van bescherming aan investeringen die zijn gedaan voor en na de datum van inwerkingtreding van het verdrag (bijv. artikel 24, BIT Oostenrijk-Cuba).
Bescherming
Welke inhoudelijke bescherming is doorgaans beschikbaar?
Investeringsverdragen die Oostenrijk is aangegaan, voorzien over het algemeen in de volgende bescherming, behoudens uitzonderlijke beperkingen:
- eerlijke en billijke behandeling;
- bescherming tegen (directe en indirecte) onteigening; bescherming van de meestbegunstigde natie
- bescherming tegen non-discriminatie en nationale behandeling; volledige bescherming en veiligheid; en
- een parapluclausule.
Geschillenbeslechting
Wat zijn de meest gebruikte opties voor geschillenbeslechting voor investeringsgeschillen tussen buitenlandse investeerders en uw staat?
Oostenrijkse BIT's voorzien meestal in een institutionele ICSID-arbitrage of een UNCITRAL ad-hocprocedure als het forum dat moet worden gekozen voor de beslechting van geschillen die voortvloeien uit het respectieve BIT. In tegenstelling tot de eerstgenoemde optie, voorzien sommige BITs in een extra mogelijkheid om te arbitreren volgens de regels van de Kamer van Koophandel in Stockholm (bijv. artikel 7, BIT Oostenrijk-Rusland), of de ICC-regels (bijv. artikel 11, BIT Oostenrijk-Cuba).
Vertrouwelijkheid
Is het in de staat gebruikelijk om geheimhouding te eisen bij investeringsarbitrage?
Niet van toepassing.
Verzekering
Heeft de staat een instantie of programma voor investeringsverzekering?
Oostenrijkse investeerders kunnen een verzekering aanvragen voor investeringen in ontwikkelingslanden in het kader van het Verdrag tot oprichting van het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties. Oostenrijk werd in 1997 een van de 25 geïndustrialiseerde landen die lid zijn van dit verdrag.
Oostenrijkse investeerders kunnen bovendien een aanvraag indienen voor dekking van buitenlandse investeringen tegen politiek risico. De 'G4-garantie' van de Osterreichische Kontrollbank AG (OeKB) is over het algemeen bedoeld voor markten buiten de EU en buiten de OESO. Een overzicht van deze diensten is beschikbaar op de website van de OeKB.
GESCHIEDENIS INVESTERINGSARBITRAGE
Aantal arbitrages
Bij hoeveel bekende arbitrages over investeringsverdragen is de staat betrokken geweest?
Op het moment van schrijven is Oostenrijk actief betrokken geweest bij één algemeen bekende arbitrage tussen investeerders en staten: BV Belegging- Maatschappij 'Far East' tegen Republiek Oostenrijk (ICSID zaak nr. ARB/15/32). De procedure werd in juli 2015 ingeleid op grond van het BIT dat Oostenrijk in 2002 met Malta had gesloten (van kracht sinds maart 2004). De verhuizende investeerder stelde daarbij dat Oostenrijk:
- willekeurige, onredelijke of discriminerende maatregelen oplegde; volledige bescherming en veiligheid ontzegde;
- het toepasselijke verbod op directe en indirecte onteigening heeft geschonden
- en eerlijke en billijke behandeling heeft geweigerd.
Het scheidsgerecht verwierp de vorderingen op bevoegdheidsgronden in oktober 2017, na een hoorzitting over een punt dat in maart van datzelfde jaar was gerezen.
Industrieën en sectoren
Hebben de investeringsarbitrages waarbij de staat betrokken is meestal betrekking op specifieke industrieën of investeringssectoren?
Niet van toepassing.
Arbiter selecteren
Gebruikt de staat in het verleden standaardmechanismen voor de benoeming van arbitragetribunalen of benoemt de staat in het verleden specifieke arbiters?
Niet van toepassing.
Verdediging
Verdedigt de staat zich gewoonlijk tegen investeringsclaims? Geef details over de interne rechtsbijstand van de staat bij investeringsgeschillen.
Niet van toepassing.
TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN TEGEN DE STAAT
Handhavingsovereenkomsten
Is de staat partij bij internationale overeenkomsten betreffende tenuitvoerlegging, zoals het VN-Verdrag van 1958 inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken?
Oostenrijk is op 2 mei 1961 partij geworden bij het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (Verdrag van New York). Het Verdrag van New York is onbeperkt van toepassing op Oostenrijk, aangezien het aanvankelijke wederkerigheidsvoorbehoud in 1988 werd ingetrokken.
Naleving van uitspraken
Voldoet de staat gewoonlijk vrijwillig aan de uitspraken in investeringsverdragen die tegen hem zijn gedaan?
Niet van toepassing.
Ongunstige uitspraken
Zo nee, gaat de staat tegen ongunstige uitspraken in beroep bij zijn nationale rechtbanken of de rechtbanken waar de arbitrageprocedure plaatsvond?
Niet van toepassing.
Bepalingen die de tenuitvoerlegging belemmeren
Geef details over binnenlandse wettelijke bepalingen die de tenuitvoerlegging van vonnissen tegen de staat op zijn grondgebied kunnen belemmeren.
De Oostenrijkse wetgever maakt een duidelijk onderscheid tussen de regels voor de tenuitvoerlegging van binnenlandse (d.w.z. gewezen in arbitrageprocedures met de overeengekomen plaats van arbitrage in Oostenrijk) en buitenlandse (d.w.z. gewezen in arbitrageprocedures met de overeengekomen plaats van arbitrage buiten Oostenrijk) arbitrale vonnissen.
In het eerste geval bepaalt § 1 van de Oostenrijkse wet op de tenuitvoerlegging dat binnenlandse vonnissen waartegen geen beroep mogelijk is (met inbegrip van schikkingen) rechtstreeks ten uitvoer kunnen worden gelegd omdat ze inherent executoriale titels verlenen.
In tegenstelling tot het bovenstaande vereist titel III van de Oostenrijkse wet inzake tenuitvoerlegging (artikel 403 e.v.) een formele erkenning van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken voorafgaand aan de binnenlandse tenuitvoerlegging, tenzij de uitspraken ten uitvoer moeten worden gelegd zonder voorafgaande afzonderlijke verklaring van uitvoerbaarheid op grond van een toepasselijke internationale overeenkomst (bv. verdragen met een toepasselijke verplichting tot wederkerigheid inzake erkenning en tenuitvoerlegging) of een besluit van de Europese Unie.
Volgens artikel IV(1)(a) van het Verdrag van New York moet een aanvrager die erkenning van een arbitraal vonnis wenst, het originele vonnis (of een gewaarmerkt afschrift) en de originele arbitrageovereenkomst (of een gewaarmerkt afschrift) overleggen. Sectie 614(2) van het Oostenrijkse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (ZPO) legt in dit opzicht de beslissing of de aanvrager moet worden verzocht om de relevante arbitrageovereenkomst (of een gewaarmerkt afschrift) in te dienen, bij de rechter. Omdat de bevoegde districtsrechtbanken alleen onderzoeken of aan de formele vereisten is voldaan, is de opvatting van het Oostenrijkse Hooggerechtshof hierover formalistischer - zij vereisen een onderzoek of de naam van de schuldenaar zoals vermeld in het verzoek om toestemming tot tenuitvoerlegging in overeenstemming is met de naam die is vermeld in het arbitraal vonnis.
Naast het genoemde kan een arbitraal vonnis onderworpen zijn aan artikel 606 ZPO, dat vereist dat het vonnis schriftelijk is en ondertekend is door arbiters. Verdere formele vereisten kunnen van toepassing zijn als de partijen het niet eens zijn.
Oostenrijkse rechtbanken hebben niet het recht om een arbitraal vonnis op zijn merites te beoordelen. Er is geen beroep mogelijk tegen een arbitraal vonnis. Het is echter mogelijk om een rechtszaak aan te spannen om een arbitraal vonnis te vernietigen (zowel gerechtelijke vonnissen als vonnissen over de grond van de zaak) op zeer specifieke, smalle gronden, namelijk
- het scheidsgerecht heeft bevoegdheid aanvaard of ontkend hoewel er geen arbitrageovereenkomst of een geldige arbitrageovereenkomst bestaat;
- een partij was niet in staat een arbitrageovereenkomst te sluiten onder het recht dat van toepassing is op die partij
- een partij niet in staat was haar zaak voor te leggen (bijvoorbeeld omdat zij niet naar behoren in kennis was gesteld van de benoeming van een arbiter of van de arbitrageprocedure);
- de uitspraak betrekking heeft op een aangelegenheid die niet is voorzien in, of niet valt onder de voorwaarden van de arbitrageovereenkomst, of betrekking heeft op aangelegenheden die verder gaan dan de genoegdoening die in de arbitrage is gevraagd (als dergelijke gebreken een scheidbaar deel van de uitspraak betreffen, moet dat deel worden vernietigd);
- de samenstelling van het scheidsgerecht was niet in overeenstemming met artikel 577 tot en met 618 ZPO of de overeenkomst van de partijen;
- de arbitrageprocedure niet in overeenstemming was, of het vonnis niet in overeenstemming is met de grondbeginselen van het Oostenrijkse rechtsstelsel (ordre public); en
- als voldaan is aan de vereisten om een zaak van een binnenlandse rechtbank te heropenen in overeenstemming met artikel 530(1) ZPO.
Landen krijgen alleen soevereine immuniteit voor acties in de mate van hun soevereine bevoegdheid. De immuniteit geldt niet voor gedragingen van particuliere commerciële aard. Buitenlandse tegoeden in Oostenrijk zijn dus vrijgesteld van tenuitvoerlegging afhankelijk van hun doel: als ze uitsluitend bedoeld zijn om te worden gebruikt voor privétransacties, kunnen ze in beslag worden genomen en onderworpen worden aan tenuitvoerlegging; maar als ze bedoeld zijn om soevereine bevoegdheden uit te oefenen (bv. taken van een ambassade), kunnen geen tenuitvoerleggingsmaatregelen worden bevolen. In een relevante beslissing over deze kwestie heeft het Oostenrijkse Hooggerechtshof (OGH) geconcludeerd (zie 3 Ob 18/12) dat een algemene immuniteit voor staatsgoederen niet is voorzien, maar dat het in plaats daarvan de plicht van de staat is om te bewijzen dat hij met soevereine macht handelde door de tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten overeenkomstig artikel 39 van de Oostenrijkse Tenuitvoerleggingswet.
Bij gebrek aan instructieve jurisprudentie kan het rationeel zijn om te concluderen dat het doorprikken van de vennootschappelijke sluier met betrekking tot soevereine activa juridisch toelaatbaar zou zijn, zolang de regels inzake de reikwijdte van soevereine immuniteit worden aangevuld met de naleving van de toepasselijke wettelijke vereisten inzake het doorprikken van de vennootschappelijke sluier.
UPDATE EN TRENDS
Belangrijkste ontwikkelingen van het afgelopen jaar
Zijn er nieuwe trends of actuele onderwerpen in uw rechtsgebied?
In het algemeen en los van een specifiek investeringsgeschil geeft het federale ministerie van Digitale en Economische Zaken echter aan dat de regering openstaat voor bindende internationale arbitrage als een goed alternatief voor de nationale rechter bij de beslechting van geschillen in het kader van de toepasselijke bilaterale investeringsverdragen.
Op 1 december 2009 is het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in werking getreden, waarin de bevoegdheid van de Europese Unie op het gebied van directe investeringen is vastgelegd. Op basis van de overgedragen bevoegdheid hebben het Europees Parlement en de Raad van de EU Verordening 1219/2012 vastgesteld, op grond waarvan bestaande BIT's geldig blijven behoudens goedkeuring door de Europese Commissie na "te hebben beoordeeld of een of meer bepalingen ervan een ernstige belemmering vormen voor de onderhandelingen over of de sluiting door de Unie van bilaterale investeringsovereenkomsten met derde landen" (Verordening 1219/2012, artikel 5). De Europese Commissie heeft verder inbreukprocedures ingeleid met betrekking tot 12 door Oostenrijk ondertekende en geratificeerde intra-EU BIT's (bilaterale investeringsverdragen tussen EU-lidstaten).
Niettegenstaande het voorgaande heeft Oostenrijk de Verklaring van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten over de rechtsgevolgen van het arrest van het Hof van Justitie in Achmea en over de bescherming van investeringen in de Europese Unie van 15 januari 2019 (de Verklaring) ondertekend. Op grond van de Verklaring:
- 'zijn alle arbitragebedingen tussen investeerders en staten in bilaterale investeringsverdragen tussen lidstaten in strijd met het EU-recht en dus niet van toepassing';
- hebben deze arbitrageclausules "geen gevolgen, ook niet ten aanzien van bepalingen die voorzien in een verlengde bescherming van investeringen die vóór de beëindiging ervan voor een verdere periode zijn gedaan (zogenaamde "sunset"- of "grandfathering"-clausules)"; en
- een scheidsgerecht dat is opgericht op basis van arbitrageclausules tussen investeerders en staten niet bevoegd is, omdat er geen geldig aanbod tot arbitrage is gedaan door de lidstaat die partij is bij het onderliggende BIT.
Oostenrijk verbond zich aanvankelijk met andere ondertekenende staten tot 'beëindiging van alle bilaterale investeringsverdragen gesloten tussen
(EU-lidstaten) door middel van een multilateraal verdrag, of, wanneer dat wederzijds als passender wordt erkend, bilateraal" tegen 6 december 2019. Desondanks weigerde Oostenrijk zich aan te sluiten bij 23 EU-lidstaten om de Overeenkomst inzake de beëindiging van bilaterale investeringsovereenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie (de Overeenkomst) te ondertekenen. Een dergelijke beslissing is echt welkom, omdat het de gegronde bezorgdheid onderkent dat de beëindiging van intra-EU BIT's door middel van de Overeenkomst wel eens onverenigbaar zou kunnen zijn met het internationaal publiekrecht.